Van God los


Heinrich Heine schijnt ooit gezegd te hebben dat hij liefst in Nederland zou zijn als de wereld vergaat, want in Nederland gebeurt toch alles vijftig jaar later. Schijnt, want niemand heeft dat citaat in zijn verzamelde werken kunnen terugvinden. Zo is Fjodor Dostojevski ook vermaard om een uitspraak die hij nooit heeft gedaan. ‘Als God niet bestaat is alles geoorloofd’, zou hij gezegd hebben, maar hij heeft dat niet gezegd. Toch werpt dit een interessante vraag op. Hebben we het geloof nodig als moreel kompas?

Jan Peter Balkenende, het vleesgeworden fatsoen van Nederland die bij de laatste verkiezingen zijn politieke tegenstander – fatsoen moet je doen - voor leugenaar uitmaakte, vindt van wel. In februari zei hij in een uitzending van Hour of Power dat ‘je zonder geloof niet kunt functioneren.´ Tijdens de laatste rel rond de embryoselectie zei Wouter Bos het omgekeerde. ‘De ChristenUnie heeft geen monopolie op principes en geweten.’ Het verschil weten tussen goed en kwaad kan ook zonder God.

Gelovigen laten het voorkomen alsof hun moraal iets wezenlijks toevoegt aan de gewone mensenmoraal. Is dat zo? Neem nou de Tien Geboden. Ook ongelovigen vinden die zo gek nog niet, maar dat komt vooral omdat ze die nooit goed hebben doorgenomen. Slechts drie van de tien staan nog recht overeind, te weten: gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen en gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. Typisch christelijk? In welke cultuur mag dat dan wel?

In het tweede gebod laat God zich van zijn meest onaangename kant zien. Ik ben een jaloerse God, zegt hij, en ik zal de misdaden van de vaders wreken tot in het vierde geslacht, dus op de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Dat is tamelijk onbeschaafd. Nazies en communisten wreekten zich ook op de familie.

Ook met de andere geboden is door ongelovigen weinig aan te vangen. Er kunnen hele goede redenen zijn om te scheiden of om je vader en moeder niet te eren, dus waarom zou je dat verbieden? En nog nooit heb ik – zie het tiende gebod – van iemand zijn os en ezel begeerd. Over godsdienst als bron van alle moraal is de laatste tijd veel te doen. Als je een paar stukken voor en tegen gelezen hebt dan word je een beetje moe van de herhaling van steeds weer dezelfde argumenten. Deze keer trof ik iets nieuws aan.

John Stuart Mill, een Engelse filosoof, wees erop dat godsdiensten vooral schijndeugden propageren. Dat je niet mag stelen, liegen en moorden weet iedereen; daar heb je geen godsdienst voor nodig. Maar wordt de wereld echt zoveel beter als je geen varkensvlees eet maar wel dat van een koe, of dat je, andersom, juist geen koeienvlees eet maar wel van het varken, als je voor zuivel en vlees nooit hetzelfde bestek gebruikt, nooit zondag’s de kachel aansteekt, als je afvalligen vermoordt, weigert om paria’s een hand te geven, wekenlang vast, vrouwen besnijdt, slechts aan één God gelooft, vijf keer per dag zegt dat jouw God de grootste is en loslopende koeien niets in de weg legt?

Jan Paalman
6 juni 2008

 

www.janpaalman.nl