Twee ziekenhuizen
Dit stukje zou over iets anders gaan maar mijn kop staat er niet naar. Vorige week zat Jan van Zijl in de radio, de nieuwe voorzitter van de MBO-raad, en die beweerde dat het competentie gericht onderwijs dat in 2010 in het gehele MBO wordt doorgevoerd helemaal niet van bovenaf is opgelegd. Onzin. Dat is het wél. Hij beweerde ook nog eens dat kennis niet zo belangrijk is omdat die na een paar jaar toch al weer is achterhaald. Heb je nou ooit? Hebben de onderwijsbobo’s eerst van alle daken staan schreeuwen dat kennis oh zo belangrijk is, en nu dit. Dit onderwijskundige varkentje wassen we een volgende keer.
Vanmorgen zat ik op de poli van het plaatselijke academische ziekenhuis. Niet voor iets heel ergs, geen Gevreesde Ziekte of zo in aantocht; wat ik heb of had gaat u geen moer aan en bovendien heb ik een hekel aan columnisten die hun ziekte uitgebreid aan den volke vertonen. Maar een merkwaardige plaats is het wel, het ziekenhuis. Als makke schapen zitten we te wachten op ome dokter. Niemand die wat zegt. Ieder heeft zo zijn eigen gedachten en houdt die voor zich. Ik kan me vergissen, maar in de wachtkamers van weleer was je binnen vijf minuten op de hoogte van ieders intiemste kwalen en met een beetje pech moest je dan ook nog een paar operatielittekens bezichtigen. Das war einmal.
Als je er goed over nadenkt, en op een poli heb je daar alle tijd voor, is een ziekenhuis een absurde plek. Angst en blijdschap, leven en dood staan daar vlak bij elkaar. Je weet dat ergens in het gebouw wordt gestorven en dat een paar gangen verderop een nieuw leven begint. De verhalen liggen er voor het oprapen en toch zijn ziekenhuisromans die de moeite van het lezen waard zijn met een lantaarntje te vinden. Tsjechov, Céline, Belcampo, Vestdijk en Brakman, allemaal arts en schrijver, hebben zich nooit aan een groots opgezette ziekenhuisroman gewaagd. Geslaagde romans zijn in dit genre zeldzaam: Het Kankerpaviljoen van Solsjenytsin is er zo een, De Toverberg van Thomas Mann ook, en Het Ziekenhuis van Jan de Hartog is lang niet slecht.
Het ziekenhuis lijkt een te groot onderwerp om er echt vat op te krijgen en misschien komt dat omdat er twee ziekenhuizen zijn: het ziekenhuis van de soaps waar patiënten, verpleegsters en dokters schouder aan schouder een heroïsche strijd leveren aan het Witte Front. En dan is er het echte ziekenhuis waar artsen en verpleegsters gewoon hun werk doen en waar patiënten schijnbaar onaangedaan wachten op wat er komen gaat.
Kees Fens heeft daar mooi over geschreven. ‘Daar komen twee kennelijke artsen aan, de stethoscopen hangen uit de zak van hun witte jassen. Ze zijn in een luidruchtig maar wel ernstig gesprek. Ze kijken terloops even in mijn richting. En ik weet mij doorzien, de verfrommelde passagier uit de stadsbus, die van binnen niet minder verkreukeld is. En dat zien ze ook. Ik kijk ze na, ze schudden het hoofd. Ik begrijp het.’
Jan Paalman
13 juni 2008