Koekje van eigen deeg
Vlak na de oorlog kreeg Willem Drees, toen premier van Nederland, een Amerikaanse diplomaat op bezoek. Amerika had wat geld te verdelen onder de verwoeste landen van Europa, de Marshall hulp, en die diplomaat wilde weten of dat geld aan Nederland goed besteed zou zijn. Drees serveerde bij de koffie welgeteld één mariakaakje. De diplomaat was daar zeer van onder de indruk. Want als de hoogste baas van Nederland al zo zuinig is dan komt het wel goed met dit land. Vanwege dat ene koekje kreeg Nederland zijn Amerikaanse dollars.
Het koekje is een blijvend symbool geworden van spreekwoordelijke Hollandse zuinigheid want vijftig jaar na Drees had Máxima het er nog over. ‘Nederland is: één koekje bij de thee. Maar ook: enorme gastvrijheid en warmte. Nederland is: nuchterheid en beheersing. Pragmatisme.’ Had ze het daarbij gelaten dan had iedereen geapplaudisseerd. Maar ze zei ook, in navolging van het WRR-rapport over de Nederlandse identiteit, ‘dé Nederlander bestaat niet’, en sindsdien is er heibel in de Hollandse hut.
Er bestaat wel degelijk zoiets als ‘dé Nederlander’. En dan bedoel ik niet een Platoons ideaalbeeld van de volmaakte Nederlander maar de som van eigenaardigheden waar niet alle, maar wel de meeste Nederlanders mee zijn behept.
Als iemand je al na twee zinnen verteld hoeveel hij verdiend, weet je zeker dat hij geen Nederlander is. Waarschijnlijk is het een Amerikaan. Zingen, nog zoiets. Frisia non cantat, schreef Tacitus tweeduizend jaar geleden, ‘Friezen zingen niet’, en dat is nog steeds zo. Engelsen, Italianen, Ieren vooral, kunnen putten uit een eindeloze liederenschat, maar op internationale samenkomsten komen wij niet verder dan Sinterklaas kapoentje of heffen het olé-lied aan. (Eerste couplet ‘olé, olé, olé’. Tweede couplet ook ‘olé, olé, olé’.) Of kussen. Als je waar ook ter wereld mensen elkaar ziet begroeten met drie klapzoenen – eerst rechts, dan links, dan weer rechts – dan weet je absoluut zeker dat het Nederlanders zijn.
Nederlanders zijn egalitair, nuchter, praktisch, tolerant, individualistisch en streven naar consensus - zeggen we zelf. Buitenlandse correspondenten zijn het daar vaak mee eens, maar voegen daar nog wat kwalificaties aan toe die we liever niet willen horen. Ze klagen in koor over onze botheid, betweterigheid, gemoraliseer, over ongemanierde kinderen en zelfs over onze tolerantie. Michael Bywater, Engeland: ‘Ze zijn zo tolerant. Waarom? Waarom vinden ze dat ze alles moeten tolereren waar wij op tegen zijn? Als de Nederlanders niet meer tolerant zijn worden ze oorlogszuchtig. Waarschijnlijk het schrikaanjagendste volkje dat ik ken.’ En de Vlaamse correspondent: ‘Ju, ju, wat een eigenaardig volkje.’
We zijn anders, we hebben eigenaardigheden die je verder nergens ter wereld aantreft. En dus wel degelijk een eigen identiteit, al kun je daar niet precies je vinger op leggen. Maar wat maakt dat uit? Niemand kan zijn hurken aanwijzen, en toch kun je er prima op zitten.
Jan Paalman
2 november 2007
www.janpaalman.nl