Doodgewoon
Jaren geleden las ik het boek ‘De Nazidokters’, een standaardwerk van de Amerikaanse psychiater Robert Jay Lifton. Ik wilde weten waarom uitgerekend dokters in staat zijn om vreselijke dingen met mensen te doen. Dokters als Joseph Mengele, berucht om zijn dodelijke vivisecties op honderden kinderen. Dat was trouwens ook de vraag die het Engelse publiek zich stelde na de twee mislukte aanslagen in juni van dit jaar. Alle acht terroristen bleken arts te zijn. Hoe kunnen artsen, die gezworen hebben om mensen in hun lijden bij te staan, veranderen in gevoelloze moordenaars?
Het verontrustende antwoord is dat voor dokters die stap misschien minder groot is dan voor willekeurig iemand anders. Dokters zijn gewend om voor het goede doel mensen pijn te doen. Ze snijden zonder aarzelen buiken open om kankergezwellen te verwijderen, zetten benen af om de rest van het lichaam te redden, want zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Voor ideologisch bevlogen artsen is de stap naar massamoord niet eens zo groot. Als ze, zoals die islamitische artsen, denken dat het Westen de wereld van de Islam ziek maakt, dan is het als arts logisch om die ziektekiem te verwijderen. Zo waren in Nazi-Duitsland heel veel artsen ervan overtuigd dat in het Duitse volk een kankergezwel woekerde. Joden. Om Duitsland te redden moest volgens hun perverse medische logica dit kankergezwel worden verwijderd, en de rest is geschiedenis.
Het boek over die Nazidokters heb ik niet kunnen uitlezen. Er stonden zoveel onvoorstelbare gruwelijkheden in dat ik er nachtmerries van kreeg. Toen ik het boek gisteren na al die jaren weer opensloeg zag ik dat ik op het schutblad een tekstje had gekrabbeld. ‘Dit boek lees je niet omgestraft’. Beetje pompeus misschien, maar waar.
Het vreemde is dat foto’s en films van die tijd me veel minder raken. Het is vreselijk maar het is niet anders, je raakt er aan gewend. Bulldozers die massa’s lijken een kuil inschuiven, steeds weer dat meisje dat verdwijnt achter de dichtslaande deuren van de wagon, het doet me steeds minder.Vorige maand stonden op alle voorpagina’s nieuwe foto’s van Auschwitz. Ze waren schokkend juist omdat ze niet schokkend waren. Je ziet geüniformeerde meisjes gierend van de lach op een bruggetje staan terwijl een SS-er jolig op een accordeon speelt. Op de volgende foto zitten ze op de leuning van de brug terwijl kampcommandant Karl Höcker, hun baas, bosbessen uitdeelt. Het fotoalbum van Höcker is kort geleden boven water gekomen en staat vol met onschuldige kiekjes. Het worden pas schuldige foto’s als je weet dat al die vrolijke mensen zich ontspanden na een zware klus. De afgelopen weken hadden ze in het destructiebedrijf Auschwitz 400.000 Hongaarse joden geruimd. Die dag nog waren er 157 joden binnengedruppeld en van hen werden 150 direct afgemaakt.
Het angstaanjagende is dat ze zo gewoon uitzien. Geen doorlopende wenkbrauwen, geen gemene tronies. Mensen als wij. Dat maakt die foto’s zo beklemmend.
Jan Paalman
19 oktober 2007